Day 58 - Languages
taal (language)
alfabet (alphabet)
woordenboek (vocabulary)
grammatica (grammar)
uitspraak (pronunciation)
Advertisement
woord (word)
vertalen (verb)
zelfstandig naamwoord (noun)
bijvoeglijk naamwoord (adjective)
bijwoord (adverb)
voegwoord (conjunction)
voornaamwoord (pronoun)
voorzetsel (preposition)
artikel (article)
tijd(en) (tense)
enkelvoud (singular)
meervoud (plural)
Wat is de vertaling van 'vraag' van het Engels naar het Nederlands? (question)
antwoord (answer)
accent (accent)
vloeiendheid (fluency)
begrip (comprehension)
lezen (reading)
luisteren (listening)
spreken (speaking)
vertaling (translation)
betekenis (meaning)
dialect (dialect)
taal leren (language learning)
tweetalig (bilingual)
meertalig (multilingual)
moedertaalspreker
(native speaker)
vreemde taal (foreign language)
tweede taal (second language)
Day 58: Languages