Dutch in 90 Days

Day 58 - Languages

Vocabulary of the Day

alfabet

(alphabet)

grammatica

(grammar)

woord

(word)

bijwoord

(adverb)

vertalen

(verb)

zelfstandig naamwoord

(noun)

taal

(language)

woordenboek

(vocabulary)

uitspraak

(pronunciation)

bijvoeglijk naamwoord

(adjective)

voegwoord

(conjunction)

tijd(en)

(tense)

Wat is de vertaling van 'vraag' van het Engels naar het Nederlands?

(question)

accent

(accent)

meervoud

(plural)

begrip

(comprehension)

lezen

(reading)

voornaamwoord

(pronoun)

enkelvoud

(singular)

antwoord

(answer)

dialect

(dialect)

voorzetsel

(preposition)

artikel

(article)

vloeiendheid

(fluency)

vertaling

(translation)

betekenis

(meaning)

luisteren

(listening)

spreken

(speaking)

taal leren

(language learning)

vreemde taal

(foreign language)

meertalig

(multilingual)

moedertaalspreker

(native speaker)

tweetalig

(bilingual)

tweede taal

(second language)