Nu oefenen
Spring er direct in — wij kiezen het beste werkwoord op basis van je voortgang
Linguarudos tip
Het Latijn heeft geen hulpwerkwoorden voor verleden tijden — het perfectum, imperfectum en plusquamperfectum hebben elk hun eigen uitgangen.
Over Latijn-vervoeging
Latijnse werkwoordvervoeging
Latijnse werkwoorden zijn ingedeeld in vier vervoegingsgroepen die worden geïdentificeerd door hun kenmerkende stamklinker: eerste (-āre), tweede (-ēre met lange e), derde (-ere met korte e) en vierde (-īre). De vervoegingsgroep bepaalt de klinkerpatronen door het gehele werkwoordparadigma.
Stamtijden: Elk Latijns werkwoord heeft vier stamtijden — de eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd indicatief, de infinitief, de eerste persoon enkelvoud perfectum indicatief en het voltooid deelwoord passief. Uit deze vier vormen kun je elke mogelijke vervoegde vorm van het werkwoord afleiden.
Geen hulpwerkwoorden: Anders dan moderne Romaanse talen vormt het Latijn zijn perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum met speciale uitgangen in plaats van hulpwerkwoorden. Elke tijd heeft zijn eigen volledige set persoonsuitgangen, waardoor het systeem op zichzelf staat maar meer uit het hoofd moet worden geleerd.