German Woord van de dag
tisch
/TISCH/ • noun — 10 mrt, 2026
Luister naar uitspraak
Betekenis: een meubelstuk met een vlakke bovenkant en poten, gebruikt om dingen op te plaatsen of aan te eten.
Voorbeelden
- Der Tisch ist aus Holz.
(De tafel is van hout.) - Ich habe den Tisch gedeckt.
(Ik heb de tafel gedekt.) - Wir sitzen am Tisch und essen gemeinsam.
(We zitten aan de tafel en eten samen.)
Synoniemen
- Tafel
- Tischplatte
Het woord 'tisch' wordt vaak gebruikt in de context van meubels, vooral in combinatie met andere woorden zoals 'essen' of 'arbeiten', waar een tafel als centrale plek dient.
Spel van vandaag: Woordzoeker — Nu Spelen
Recente woorden
| Datum | Woord | Betekenis |
|---|---|---|
| 2026-04-28 | bezahlen | betalen; geld geven voor goederen of diensten |
| 2026-04-27 | begrüßen | iemand welkom heten of hallo zeggen; iemand begroe... |
| 2026-04-26 | teilnehmen | deelnemen; ergens aan meedoen (bijvoorbeeld aan ee... |
| 2026-04-25 | vereinbaren | afspreken; overeenkomen (iets regelen of vastlegge... |
| 2026-04-24 | verschieben | iets verplaatsen of uitstellen (bijv. een afspraak... |
Ontvang deze per e-mail
Log in op je gratis account om dagelijks woorden per e-mail te ontvangen.
Ontvang elke dag een nieuw woord in je inbox!