Skip to content
Library
Practice
Games
Media Center
Printables
Courses
Level Test
Chat
Conjugation
Word of the Day
Writing Practice
ConlangHub
Blog.txt
Talk to Us
Conjugation.xlsx

Conjugation of regelen in Dutch

regelento arrange, organize, sort outregular

Tegenwoordige Tijdpresent

Actions happening now or habitually.

Tegenwoordige Tijd of regelen
PersonConjugation
ikregel
jij/jeregelt
hij/zij/hetregelt
wij/weregelen
jullieregelen
zij/zeregelen

Common mistakes in the Tegenwoordige Tijd

  • jij/jeregelregeltIn the present tense, the singular subject 'jij' takes -t: 'jij regelt'.

Verleden Tijdsimple past

Completed actions in the past.

Verleden Tijd of regelen
PersonConjugation
ikregelde
jij/jeregelde
hij/zij/hetregelde
wij/weregelden
jullieregelden
zij/zeregelden

Voltooid Tegenwoordige Tijdpresent perfect

Past actions with a bearing on the present.

Voltooid Tegenwoordige Tijd of regelen
PersonConjugation
ikheb geregeld
jij/jehebt geregeld
hij/zij/hetheeft geregeld
wij/wehebben geregeld
julliehebben geregeld
zij/zehebben geregeld

Common mistakes in the Voltooid Tegenwoordige Tijd

  • ikben geregeldheb geregeldUse 'hebben' with this transitive verb, not 'zijn': 'ik heb geregeld'.

Toekomende Tijdfuture

Actions that will happen.

Toekomende Tijd of regelen
PersonConjugation
ikzal regelen
jij/jezult regelen
hij/zij/hetzal regelen
wij/wezullen regelen
julliezullen regelen
zij/zezullen regelen

Common mistakes in the Toekomende Tijd

  • ikik regelen zalzal regelenDutch future tense uses auxiliary + infinitive order: 'ik zal regelen'.

regelen — frequently asked questions

Is regelen a regular verb?
Yes — regelen is a regular Dutch verb, so it follows the standard endings for its group.
What does regelen mean?
regelen is a Dutch verb meaning "to arrange, organize, sort out".