Spaans werkwoordvervoeging — Oefening
Nu oefenen
Spring er direct in — wij kiezen het beste werkwoord op basis van je voortgang
Linguarudos tip
Spaanse -ar-werkwoorden vormen de grootste groep — de meeste nieuwe werkwoorden die de taal binnenkomen volgen het -ar-patroon.
Alle 181 werkwoorden (Spaans)
- abonar — betalen; crediteren; bemesten
- abrazar — omhelzen
- abrigar — tegen de kou beschermen, warm houden, inpakken
- abrigarse — zich warm kleden; zich inpakken; zich beschutten
- abrir — openen
- acabar — eindigen
- aceptar — accepteren
- acertar — goed raden; doel treffen; het bij het juiste eind hebben
- aclarar — verduidelijken, ophelderen
- acoger — ontvangen; verwelkomen; onderdak bieden
- aconsejar — adviseren, raden
- acordar — afspreken; zich herinneren; iemand wekken
- acostumbrar — gewennen; wennen aan; gewoon zijn te
- acudir — gaan naar; bijwonen; een beroep doen op
- agregar — toevoegen
- ahorrar — besparen; sparen
- alcanzar — bereiken, behalen
- alejar — verwijderen, wegdrijven, op afstand brengen
- almorzar — lunchen
- alquilar — huren, verhuren
- andar — lopen; gaan; werken (functioneren)
- anotar — noteren, opschrijven
- apagar — uitzetten, doven
- aparcar — parkeren
- apoyar — ondersteunen, steunen
- aprender — leren
- apretar — knijpen, vastdraaien, samendrukken
- aprovechar — gebruikmaken van, benutten
- asistir — bijwonen; assisteren; helpen
- aumentar — vergroten, verhogen
- avanzar — vooruitgaan, vorderen
- avisar — waarschuwen; berichten
- ayudar — helpen
- añadir — toevoegen, opnemen
- bajar — afdalen; verlagen; uitstappen
- barrer — vegen
- beber — drinken
- borrar — wissen, verwijderen
- buscar — zoeken
- cambiar — veranderen
- caminar — lopen
- cerrar — sluiten
- cobrar — innen, in rekening brengen, ontvangen
- cocinar — koken
- colgar — ophangen
- comenzar — beginnen
- comer — eten
- compartir — delen
- comprar — kopen
- comprender — begrijpen
- conducir — rijden; leiden
- confiar — vertrouwen, rekenen op
- conocer — kennen; ontmoeten
- conseguir — krijgen, verkrijgen, erin slagen
- contar — tellen; vertellen
- conversar — converseren; praten
- correr — rennen
- crear — creëren
- creer — geloven
- cuidar — zorgen voor
- cumplir — vervullen; naleven; (jaren) worden
- dar — geven
- darse cuenta — zich realiseren, zich bewust worden van
- deber — moeten; verschuldigd zijn
- decidir — beslissen
- decir — zeggen
- dejar — laten, verlaten, toestaan
- derribar — omverwerpen, neerhalen, slopen
- descansar — rusten, uitrusten
- descubrir — ontdekken
- despedir — ontslaan; afscheid nemen
- despedirse — afscheid nemen
- despertar — wakker worden
- destacar — opvallen, benadrukken
- devolver — teruggeven, terugbrengen
- disculpar — verontschuldigen, vergeven
- disfrutar — genieten van, plezier hebben
- dormir — slapen
- elegir — kiezen
- empezar — beginnen
- empujar — duwen
- encantar — betoveren; fascineren; geweldig vinden
- encargar — toevertrouwen, opdragen, bestellen
- encender — aansteken, inschakelen
- encontrar — vinden, aantreffen
- enseñar — onderwijzen
- entender — begrijpen
- entrar — ingaan
- entregar — afleveren, overhandigen
- enviar — sturen
- escoger — kiezen
- escribir — schrijven
- escuchar — luisteren
- esperar — wachten, hopen
- estar — zijn (tijdelijke toestand/locatie)
- explicar — uitleggen
- fabricar — vervaardigen, produceren
- faltar — ontbreken, afwezig zijn
- ganar — winnen, verdienen
- guardar — bewaren, opslaan, bewaren
- gustar — leuk vinden; bevallen
- hablar — spreken, praten
- hacer — maken, doen
- leer — lezen
- limpiar — schoonmaken, reinigen
- llamar — bellen, noemen
- llegar — aankomen, bereiken
- llevar — dragen, meenemen, dragen (kleding)
- llover — regenen
- lograr — bereiken; slagen in
- mantener — handhaven; behouden; onderhouden
- mejorar — verbeteren, beter worden
- merecer — verdienen, waard zijn
- mirar — kijken naar, bekijken
- mostrar — tonen
- necesitar — nodig hebben, nodig zijn
- nevar — sneeuwen
- ocupar — innemen, bezetten, in beslag nemen
- ofrecer — aanbieden
- olvidar — vergeten
- ordenar — ordenen
- pagar — betalen
- pausar — pauzeren
- pedir — vragen, verzoeken
- pensar — denken
- percibir — waarnemen
- perder — verliezen
- pintar — schilderen
- poder — kunnen
- poner — zetten/plaatsen/leggen
- preguntar — vragen
- prestar — uitlenen, lenen
- probar — proberen, proeven, testen
- quedar — blijven, overblijven, resteren
- quedar — blijven; overblijven
- quedarse — blijven; achterblijven
- quitar — verwijderen, wegnemen, afdoen
- recoger — oppakken; verzamelen
- recomendar — aanbevelen
- recordar — zich herinneren, zich te binnen brengen
- reducir — verminderen, verkleinen
- reemplazar — vervangen, substitueren
- rellenar — invullen, vullen, aanvullen
- rendirse — zich overgeven, opgeven
- reparar — herstellen, repareren
- rescatar — redden; terugvinden; bergen
- reservar — reserveren
- resolver — oplossen, oplossen
- respetar — respecteren
- responder — antwoorden
- reunir — verzamelen, herenigen
- reunirse — bijeenkomen, samenkomen, zich verenigen
- reír — lachen
- romper — breken
- saber — weten
- sacar — eruit halen, wegnemen, verkrijgen
- salir — naar buiten gaan, vertrekken
- saludar — groeten
- seguir — volgen; doorgaan
- sentarse — gaan zitten
- sentir — voelen
- servir — dienen, serveren
- sonreír — glimlachen
- sostener — vasthouden, ondersteunen, handhaven
- subir — omhooggaan, klimmen, uploaden
- suceder — gebeuren, plaatsvinden
- suele — gewoonlijk doen; gewoon zijn te
- sugerir — suggereren
- tener — hebben
- terminar — afmaken; beëindigen
- tomar — nemen
- trabajar — werken
- traer — brengen
- usar — gebruiken
- valorar — waarderen; beoordelen
- vender — verkopen
- venir — komen
- ver — zien
- viajar — reizen
- vivir — leven
- volver — terugkeren
Over Spaans-vervoeging
Spaanse werkwoordvervoeging
Spaanse werkwoorden worden vervoegd in drie groepen (-ar, -er, -ir), waarbij -ar de grootste en meest regelmatige is. Het Spaans staat bekend om zijn rijke werkwoordmorfologie — elk werkwoord kan meer dan 50 afzonderlijke vervoegde vormen hebben over de indicatief, aanvoegende en gebiedende wijs.
Stamveranderende werkwoorden: Veel voorkomende Spaanse werkwoorden ondergaan stamklinkerveranderingen (e→ie, o→ue, e→i) in beklemtoonde lettergrepen. Deze veranderingen beïnvloeden de tegenwoordige tijd indicatief, tegenwoordige tijd aanvoegende wijs en sommige vormen van de pretérito, maar volgen voorspelbare patronen: de "nosotros"- en "vosotros"-vormen veranderen nooit.
Pretérito vs. imperfecto: Het onderscheid tussen de pretérito (voltooide verleden handelingen) en imperfecto (doorlopend, gewoonlijk of beschrijvend verleden) staat centraal in de Spaanse vertelkunst. De pretérito beantwoordt "wat is er gebeurd?" terwijl de imperfecto het decor schetst en toestanden beschrijft.