Japans Woord van de dag
Alle vorige woorden — 146 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-07-23 | 知らせる | werkwoord | op de hoogte brengen; informeren; laten weten |
| 2026-07-22 | 渡す | werkwoord | aan iemand geven, overhandigen; iets van de ene persoon naar de andere laten gaan |
| 2026-07-21 | 続ける | werkwoord | doorgaan met iets; iets voortzetten zonder te stoppen |
| 2026-07-20 | 覚える | werkwoord | zich herinneren; onthouden; iets in je geheugen opslaan |
| 2026-07-19 | 始まる | werkwoord | beginnen; starten; een proces of gebeurtenis gaat van start |
| 2026-07-18 | 必要 | adjectief | nodig zijn; noodzakelijk zijn |
| 2026-07-17 | 持つ | werkwoord (transitief) | hebben, vasthouden of meenemen; iets in bezit hebben of dragen |
| 2026-07-16 | 待つ | werkwoord | wachten (op iemand of iets) |
| 2026-07-15 | 消す | werkwoord (transitief) | uitdoen; iets laten verdwijnen of wissen (licht, apparaat, vlam, tekst) |
| 2026-07-14 | 書く | werkwoord | schrijven; iets (op papier of digitaal) opschrijven of neerzetten |
| 2026-07-13 | 借りる | werkwoord | lenen (iets tijdelijk van iemand krijgen om te gebruiken, later meestal teruggeven) |
| 2026-07-12 | 行く | werkwoord (onovergankelijk, godan) | gaan; zich naar een plaats begeven |
| 2026-07-11 | 開ける | werkwoord (transitief) | openen; iets (bijv. een deur, raam, doos) opendoen |
| 2026-07-10 | 帰る(かえる) | werkwoord (動詞) | terugkeren; naar huis gaan |
| 2026-07-09 | 見る | werkwoord | zien; kijken; bekijken |
| 2026-07-08 | 教える | werkwoord | iemand iets leren of informatie geven; onderwijzen of uitleggen |
| 2026-07-07 | 乗る | werkwoord | instappen; (op een voertuig) stappen; ook: meedoen of ergens op ingaan (figuurlijk) |
| 2026-07-06 | 着る | werkwoord | aantrekken; kleding (vooral bovenlichaam) dragen |
| 2026-07-05 | 作る | werkwoord (動詞) | maken; iets creëren of bereiden (bijv. eten, spullen, een sfeer) |
| 2026-07-04 | 話す | werkwoord | praten, spreken; iets zeggen tegen iemand |