Koreaans Woord van de dag
Alle vorige woorden — 107 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-06-14 | 괜찮다 | bijvoeglijk naamwoord (adjectief) | oké; in orde; geen probleem; gebruikt om aan te geven dat iets acceptabel is of om iemand gerust te stellen |
| 2026-06-13 | 같이 | bijwoord | samen; gezamenlijk — gebruikt om aan te geven dat twee of meer personen iets samen doen |
| 2026-06-12 | 운전하다 | werkwoord | besturen/rijden (een voertuig besturen) |
| 2026-06-11 | 말하다 | werkwoord | zeggen; spreken; iets uiten (iemand iets laten weten of je mening/gevoel uiten) |
| 2026-06-10 | 걱정하다 | werkwoord | zich zorgen maken; bezorgd zijn over iets of iemand |
| 2026-06-09 | 이해하다 | werkwoord | begrijpen; het doorzien of snappen van informatie, een idee of iemands bedoeling |
| 2026-06-08 | 도착하다 | werkwoord | aankomen; arriveren op een plaats |
| 2026-06-07 | 열다 | werkwoord | openen; iets (zoals een deur, boek, bestand of evenement) toegankelijk maken |
| 2026-06-06 | 보다 | werkwoord | zien; kijken; bekijken — het waarnemen met de ogen of iets bekijken (bijv. een film, document, situatie) |
| 2026-06-05 | 사다 | werkwoord | kopen; iets aanschaffen door geld te betalen |
| 2026-06-04 | 쉬다 | werkwoord | rusten; pauzeren; ontspannen; ook: schor worden (bijvoorbeeld 'de keel is schor') |
| 2026-06-03 | 만들다 | werkwoord | maken; iets creëren, vervaardigen of bereiden |
| 2026-06-02 | 시작하다 | werkwoord | beginnen; iets op gang brengen of starten |
| 2026-06-01 | 기다리다 | werkwoord | wachten; blijven wachten op iemand of iets |
| 2026-05-31 | 빌리다 | werkwoord | lenen; iets tijdelijk van iemand gebruiken of ontvangen |
| 2026-05-30 | 전화하다 | werkwoord | telefoneren; iemand bellen via de telefoon |
| 2026-05-29 | 앉다 | werkwoord | zitten; plaatsnemen (gaan zitten) |
| 2026-05-28 | 공부하다 | werkwoord | studeren; leren door te lezen, oefenen of herhalen om kennis of vaardigheden te verwerven |
| 2026-05-27 | 근처 | zelfstandig naamwoord (locatief) | in de buurt; de nabijheid van een plaats |
| 2026-05-26 | 찾다 | werkwoord | zoeken; (iets) vinden |