Kroatisch Woord van de dag
Alle vorige woorden — 187 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-07-05 | rucak | zelfstandig naamwoord | lunch; de warme maaltijd die gewoonlijk midden op de dag wordt gegeten |
| 2026-07-04 | kupiti | werkwoord (glagol) | kopen (eenmalige handeling: iets aanschaffen voor geld) |
| 2026-07-03 | kruh | zelfstandig naamwoord | brood; basisvoedsel gemaakt van meel en water, vaak gegeten bij ontbijt of lunch |
| 2026-07-02 | ulica | zelfstandig naamwoord | straat; weg binnen een stad of dorp |
| 2026-07-01 | račun | noun | rekening, bon of factuur — een document waarop het te betalen bedrag vermeld staat |
| 2026-06-30 | treba | werkwoord | aangeeft dat iets noodzakelijk is of dat iemand iets nodig heeft; (moeten / nodig hebben) |
| 2026-06-29 | kava | zelfstandig naamwoord (vrouwelijk) | koffie; een warme drank gemaakt van geroosterde gemalen koffiebonen, vaak gebruikt in sociale situaties |
| 2026-06-28 | važan | bijvoeglijk naamwoord | belangrijk; van groot belang |
| 2026-06-27 | vrijeme | zelfstandig naamwoord | 1. tijd (duur of uur); 2. weer (meteorologisch) |
| 2026-06-26 | molim | tussenwerpsel | beleefdheidswoord: 'alstublieft' (bij een verzoek), 'graag gedaan' (als antwoord op dank) of 'pardon' (om iets te vragen of te herhalen) |
| 2026-06-25 | posao | zelfstandig naamwoord | baan; werk; functie — de taak of activiteit waarmee iemand (meestal) geld verdient |
| 2026-06-24 | zaboraviti | werkwoord | vergeten; het niet meer herinneren of iets nalaten te doen |
| 2026-06-23 | hvala | tussenwerpsel | Uitdrukking om dankbaarheid te tonen; betekent 'bedankt'. |
| 2026-06-22 | novac | noun | geld; algemeen gebruikte term voor valuta of betaalmiddelen |
| 2026-06-21 | sada | bijwoord | nu; op dit moment |
| 2026-06-20 | spavati | werkwoord | slapen; rusten, in slaap zijn |
| 2026-06-19 | stolica | noun | stoel; zitplaats (meestal voor één persoon) |
| 2026-06-18 | kuća | zelfstandig naamwoord | huis; woning (het fysieke gebouw waar iemand woont) |
| 2026-06-17 | donijeti | werkwoord | brengen; iets naar een bepaalde plaats meenemen (vaak naar de spreker of naar een afgesproken locatie) |
| 2026-06-16 | jutro | noun | ochtend |