Noors Woord van de dag
tid
/TID/ • zelfstandig naamwoord — 13 jul, 2026
Luister naar uitspraak
Betekenis: de beschikbare of gemeten hoeveelheid tijd; een moment of periode
Voorbeelden
- Har du tid i morgen?
(Heb je morgen tijd?) - Det tok mye tid å skrive rapporten.
(Het kostte veel tijd om het rapport te schrijven.) - Vi har god tid før toget går.
(We hebben genoeg tijd voordat de trein vertrekt.)
Synoniemen
- stund
- periode
Wordt gebruikt om zowel een moment (tijdstip) als een duur aan te duiden. Veelvoorkomende uitdrukkingen zijn bijvoorbeeld «ha tid» (tijd hebben) en «god tid» (ruime tijd).
Recente woorden
| Datum | Woord | Betekenis |
|---|---|---|
| 2026-07-12 | viktig | belangrijk; van groot belang |
| 2026-07-11 | ferie | vakantie; periode waarin je fri hebt van arbeid el... |
| 2026-07-10 | butikk | winkel; een plek waar je goederen of dagelijkse be... |
| 2026-07-09 | huske | zich herinneren; iets onthouden; eraan denken iets... |
| 2026-07-08 | hjem | thuis; de plaats waar je woont of naartoe gaat |
Ontvang deze per e-mail
Log in op je gratis account om dagelijks woorden per e-mail te ontvangen.
« 12 jul13 jul, 2026
Ontvang elke dag een nieuw woord in je inbox!