Noors Woord van de dag
Alle vorige woorden — 113 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-06-21 | ledig | bijvoeglijk naamwoord | vrij, beschikbaar; leeg of onbezet |
| 2026-06-20 | spise | verb | eten; het nuttigen van voedsel |
| 2026-06-19 | betale | verb | geven van geld in ruil voor goederen of diensten; een rekening voldoen |
| 2026-06-18 | hyggelig | adjective | aangenaam, prettig; ook 'gezellig' of 'vriendelijk' afhankelijk van de context |
| 2026-06-17 | nøkkel | zelfstandig naamwoord | sleutel (voor het openen van een slot, bijvoorbeeld van een deur of een auto) |
| 2026-06-16 | unnskyld | tussenwerpsel | sorry / excuseer; wordt gebruikt om je te verontschuldigen of iemands aandacht te trekken |
| 2026-06-15 | hvordan | bijwoord | hoe; op welke manier iets gebeurt of gedaan wordt |
| 2026-06-14 | lukke | verb | sluiten; iets dichtdoen, zoals een deur, raam of boek. |
| 2026-06-13 | klær | noun (plural) | kleding; meervoudig zelfstandig naamwoord voor kleren |
| 2026-06-12 | snart | adverb | binnenkort; weldra |
| 2026-06-11 | ringe | werkwoord | bellen; telefonisch contact opnemen of (aan)bellen (bijvoorbeeld bij de deur). |
| 2026-06-10 | tid | noun | De periode of hoeveelheid tijd; hetzelfde als 'tijd' in het Nederlands. |
| 2026-06-09 | adresse | zelfstandig naamwoord | adres; hvor noen bor eller hvor post/pakker kan sendes |
| 2026-06-08 | butikk | noun | winkel; een plaats waar je goederen koopt (kleine of grote winkel) |
| 2026-06-07 | venn | substantiv (noun) | iemand met wie je een persoonlijke, platonische relatie hebt; vriend |
| 2026-06-06 | sove | werkwoord | slapen; rusten om lichaam en geest te herstellen |
| 2026-06-05 | hus | noun | huis; een gebouw waar mensen wonen |
| 2026-06-04 | gå | verb | gaan, lopen (zich te voet verplaatsen) |
| 2026-06-03 | vann | noun | water; de vloeistof die je drinkt of gebruikt om te kokenen, schoon te maken, enz. |
| 2026-06-02 | regn | zelfstandig naamwoord (substantiv) | regen; neerslag (water dat uit de lucht valt) |