Afrikaans Woord van de dag
huis
HUIS • noun — 5 jun, 2026
Luister naar uitspraak
Betekenis: een woning of gebouw waarin iemand woont; thuis
Voorbeelden
- Ek woon in 'n huis in die dorp.
(Ik woon in een huis in het dorp.) - Maak die deur toe wanneer jy die huis verlaat.
(Doe de deur dicht wanneer je het huis verlaat.) - Ons gaan die huis hierdie week skilder.
(We gaan het huis deze week schilderen.)
Synoniemen
- woning
- huisie
Gebruik 'huis' om te verwijzen naar iemands woning of het thuis. Het is een alledaags woord; 'woning' klinkt formeler, en 'huisie' is het verkleinwoord dat informeel gebruikt wordt.
Deze vermelding is gegenereerd door een AI-taalmodel. Iets fout gezien? Meld het en we kijken ernaar. Lees hoe wij AI gebruiken of
Recente woorden
| Datum | Woord | Betekenis |
|---|---|---|
| 2026-09-05 | dus | daarom; gevolgtrekkend gebruikt om een conclusie o... |
| 2026-09-04 | gedeeltelik | nie heeltemal nie; in ’n mate, maar nie volledig n... |
| 2026-09-03 | gereeld | op vaste tye; vaak of dikwels gebeurend |
| 2026-09-02 | gewoel | drukte; rumoer of levendige activiteit op een plek |
| 2026-09-01 | blits | snel en heel kort; iets wat in een oogwenk gebeurt... |
Ontvang deze per e-mail
Log in op je gratis account om dagelijks woorden per e-mail te ontvangen.
Ontvang elke dag een nieuw woord in je inbox!