Skip to content
Bibliotheek
Oefenen
Speelhal
Media Center
Afdrukbaar
Cursussen
Niveautest
Vervoeging
Woord van de Dag
Schrijfoefening
Blog.txt
Neem contact op
huis.doc

Afrikaans Woord van de dag

huis

HUIS • noun — 5 jun, 2026


Luister naar uitspraak

Betekenis: een woning of gebouw waarin iemand woont; thuis

Advertisement

Voorbeelden

  1. Ek woon in 'n huis in die dorp.
    (Ik woon in een huis in het dorp.)
  2. Maak die deur toe wanneer jy die huis verlaat.
    (Doe de deur dicht wanneer je het huis verlaat.)
  3. Ons gaan die huis hierdie week skilder.
    (We gaan het huis deze week schilderen.)

Synoniemen

  • woning
  • huisie
Gebruik 'huis' om te verwijzen naar iemands woning of het thuis. Het is een alledaags woord; 'woning' klinkt formeler, en 'huisie' is het verkleinwoord dat informeel gebruikt wordt.

Deze vermelding is gegenereerd door een AI-taalmodel. Iets fout gezien? Meld het en we kijken ernaar. Lees hoe wij AI gebruiken of



Recente woorden

DatumWoordBetekenis
2026-09-05dusdaarom; gevolgtrekkend gebruikt om een conclusie o...
2026-09-04gedeelteliknie heeltemal nie; in ’n mate, maar nie volledig n...
2026-09-03gereeldop vaste tye; vaak of dikwels gebeurend
2026-09-02gewoeldrukte; rumoer of levendige activiteit op een plek
2026-09-01blitssnel en heel kort; iets wat in een oogwenk gebeurt...

Bekijk volledig archief

« 4 jun5 jun, 20266 jun »

Ontvang elke dag een nieuw woord in je inbox!