Duits Woord van de dag
tisch
TISCH • noun — 10 mrt, 2026
Luister naar uitspraak
Betekenis: een meubelstuk met een vlakke bovenkant en poten, gebruikt om dingen op te plaatsen of aan te eten.
Voorbeelden
- Der Tisch ist aus Holz.
(De tafel is van hout.) - Ich habe den Tisch gedeckt.
(Ik heb de tafel gedekt.) - Wir sitzen am Tisch und essen gemeinsam.
(We zitten aan de tafel en eten samen.)
Synoniemen
- Tafel
- Tischplatte
Het woord 'tisch' wordt vaak gebruikt in de context van meubels, vooral in combinatie met andere woorden zoals 'essen' of 'arbeiten', waar een tafel als centrale plek dient.
Deze vermelding is gegenereerd door een AI-taalmodel. Iets fout gezien? Meld het en we kijken ernaar. Lees hoe wij AI gebruiken of
Recente woorden
| Datum | Woord | Betekenis |
|---|---|---|
| 2026-09-10 | passieren | gebeuren; plaatsvinden |
| 2026-09-09 | der Schlüssel | Een voorwerp waarmee je een slot kunt openen of af... |
| 2026-09-08 | vermieten | iets of een woning tijdelijk aan iemand verhuren |
| 2026-09-07 | immerhin | toch nog, in ieder geval; gebruikt om aan te geven... |
| 2026-09-06 | verlässlich | Iemand of iets waarop je kunt rekenen; betrouwbaar... |
Ontvang deze per e-mail
Log in op je gratis account om dagelijks woorden per e-mail te ontvangen.
Ontvang elke dag een nieuw woord in je inbox!