Thais Woord van de dag
Alle vorige woorden — 188 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-07-05 | เงิน | zelfstandig naamwoord | geld; munteenheid; financiële middelen |
| 2026-07-04 | อาหาร | zelfstandig naamwoord | eten; voedsel; maaltijd |
| 2026-07-03 | ไม่ | partikel (negatie) | niet; negatiepartikel gebruikt om een handeling, eigenschap of bewering te ontkennen |
| 2026-07-02 | พูด | werkwoord | spreken; iets zeggen; praten |
| 2026-07-01 | ไป | werkwoord | gaan; zich verplaatsen naar een andere plaats |
| 2026-06-30 | เรียน | werkwoord | leren; studeren (informatie of vaardigheden verwerven of lessen volgen) |
| 2026-06-29 | สบาย | bijvoeglijk naamwoord (kan ook als bijwoord gebruikt worden) | comfortabel; zich goed of ontspannen voelen; aangenaam |
| 2026-06-28 | ตลาด | zelfstandig naamwoord | plaats waar goederen worden verkocht; markt |
| 2026-06-27 | เปิด | werkwoord | openen; iets openen of aanzetten (deur, licht, bestand, enz.) |
| 2026-06-26 | ร้าน | zelfstandig naamwoord | winkel; plek waar goederen of diensten verkocht worden |
| 2026-06-25 | เพื่อน | zelfstandig naamwoord | vriend; kameraad; iemand met wie je een persoonlijke band hebt |
| 2026-06-24 | บ้าน | zelfstandig naamwoord | huis; thuis (de plaats waar iemand woont) |
| 2026-06-23 | หนังสือ | zelfstandig naamwoord | boek; geschreven/publicatie |
| 2026-06-22 | ห้องน้ำ | zelfstandig naamwoord | toilet; badkamer; plaats om naar het toilet te gaan |
| 2026-06-21 | สวย | bijvoeglijk naamwoord | mooi; aantrekkelijk; gebruikt om iemand of iets te beschrijven dat er prettig uitziet |
| 2026-06-20 | ได้ | werkwoord (hulpwerkwoord) | kunnen / krijgen / aangeven van mogelijkheid, toestemming of voltooidheid; wordt vaak gebruikt als hulpwerkwoord |
| 2026-06-19 | เข้าใจ | verb | begrijpen; iets snappen of doorzien |
| 2026-06-18 | ขอโทษ | werkwoord / tussenwerpsel | sorry; je verontschuldigen; excuses aanbieden |
| 2026-06-17 | เร็ว | bijvoeglijk naamwoord / bijwoord | snel; vlug — geeft hoge snelheid of tempo aan |
| 2026-06-16 | รอ | werkwoord | wachten; afwachten (op iemand of iets) |