Afrikaans Woord van de dag
Alle vorige woorden — 67 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-05-05 | stap | werkwoord | lopen; een korte wandeling of de handeling van een stap zetten |
| 2026-05-04 | kos | zelfstandig naamwoord | eten; voedsel |
| 2026-05-03 | rekenaar | selfstandige naamwoord | computer; toestel wat berekeninge uitvoer en gebruik word vir werk of vermaak |
| 2026-05-02 | deur | voorzetsel | door, via; geeft doorgang of beweging aan (bijvoorbeeld door een plaats of gedurende een periode) |
| 2026-05-01 | slaap | werkwoord | slapen; in slaap zijn of rusten |
| 2026-04-30 | ontspan | werkwoord | ontspannen; tot rust komen, zowel mentaal als lichamelijk |
| 2026-04-29 | smaak | werkwoord / zelfstandig naamwoord | 1) (zelfstandig naamwoord) de smaak van iets; 2) (werkwoord) proeven of iets lekker vinden qua smaak |
| 2026-04-28 | bel | werkwoord | telefoneren / opbellen (iemand telefonisch contacteren) |
| 2026-04-27 | wag | werkwoord | wachten; blijven totdat iets of iemand komt |
| 2026-04-26 | sê | werkwoord | zeggen; iets met woorden uitdrukken |
| 2026-04-25 | naby | adjectief / bijwoord | dichtbij; op korte afstand |
| 2026-04-24 | afspraak | selfstandignaamwoord (noun) | een afspraak, ontmoeting of afspraakstermijn (bijvoorbeeld bij de dokter of voor een vergadering) |
| 2026-04-23 | toemaak | verb | sluiten; iets dichtdoen (bijvoorbeeld een deur, raam, doos of winkel) |
| 2026-04-22 | binne | bywoord / voorsetsel | binnen; op of naar de binnenkant; ook: binnen (tijdsaanduiding, bv. binnen 'n uur) |
| 2026-04-21 | bakkie | noun | kleine vrachtwagen / pick-up; informeel ook: een klein bakje of container |
| 2026-04-20 | verstaan | werkwoord | begrijpen; iets horen en de betekenis ervan begrijpen |
| 2026-04-19 | eerlik | bijvoeglijk naamwoord | eerlijk; oprecht; niet liegend of bedrieglijk |
| 2026-04-18 | vergeet | werkwoord | niet meer (kunnen) herinneren; iets niet herinneren of nalaten te doen |
| 2026-04-17 | kook | werkwoord | koken; voedsel bereiden met warmte of hitte |
| 2026-04-16 | skoon | adjektief (kan ook deel wees van werkwoordsvorme soos 'skoonmaak') | schoon, netjes; vrij van vuil of vlekke; ook gebruikt in samenstellingen zoals 'skoonmaak' (schoonmaken) |
Advertisement