Duits Woord van de dag
Alle vorige woorden — 194 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-09-10 | passieren | verb | gebeuren; plaatsvinden |
| 2026-09-09 | der Schlüssel | noun | Een voorwerp waarmee je een slot kunt openen of afsluiten. |
| 2026-09-08 | vermieten | verb | iets of een woning tijdelijk aan iemand verhuren |
| 2026-09-07 | immerhin | adverb | toch nog, in ieder geval; gebruikt om aan te geven dat iets ondanks alles toch een positief of verzachtend punt heeft |
| 2026-09-06 | verlässlich | adjective | Iemand of iets waarop je kunt rekenen; betrouwbaar en consequent. |
| 2026-09-05 | sogar | adverb | zelfs |
| 2026-09-04 | weg | noun | route of pad, of manier om ergens te komen |
| 2026-09-03 | glücklich | adjective | blij; tevreden en met een positief gevoel |
| 2026-09-02 | die Nachricht | noun | een bericht of mededeling; iets dat aan iemand wordt doorgegeven |
| 2026-09-01 | trotz | präposition | ondanks; wordt gebruikt om aan te geven dat iets gebeurt ondanks een belemmering of tegenstand |
| 2026-08-31 | flüstern | verb | zacht spreken, bijna fluisteren |
| 2026-08-30 | treffen | verb | ontmoeten; iemand ergens zien of samenkomen |
| 2026-08-29 | abschließen | verb | afsluiten; iets beëindigen of afronden, of een slot op iets doen |
| 2026-08-28 | aktuell | adjective | op dit moment geldig, recent of nu van toepassing |
| 2026-08-27 | allerdings | adverb | wordt gebruikt om een tegenstelling of beperking aan te geven; betekent ongeveer 'echter', 'weliswaar' of 'toch wel'. |
| 2026-08-26 | pünktlich | adjective | op tijd; volgens de afgesproken tijd |
| 2026-08-25 | fehlen | verb | ontbreken; niet aanwezig zijn; ook: iemand missen |
| 2026-08-24 | helfen | verb | helpen; iets doen waardoor iemand anders het makkelijker krijgt of een probleem minder wordt |
| 2026-08-23 | vorbereiten | verb | zich voorbereiden; iets gereedmaken voor iets wat komt |
| 2026-08-22 | pünktlich | adjective | op tijd; niet te laat, precies volgens de afgesproken tijd |