Skip to content
Bibliotheek
Oefenen
Speelhal
Media Center
Afdrukbaar
Cursussen
Niveautest
Vervoeging
Woord van de Dag
Schrijfoefening
Blog.txt
Neem contact op
verschieben vs aufschieben.doc

verschieben vs. aufschieben

Woordvergelijking Duits


Luister naar verschieben
Luister naar aufschieben
verschiebenaufschieben
ver-SCHI-ben
werkwoord
[ˈaʊ̯fˌʃiːbən]
werkwoord
iets naar een later tijdstip verplaatsen; uitstelleniets uitstellen; een taak of afspraak later doen of plannen, vaak met connotatie van uitstelgedrag
Advertisement

Hoe ze verschillen

„Aufschieben" benadrukt vaak persoonlijk of gedragsmatig uitstellen (procrastinatie) en wordt veel gebruikt voor taken; „verschieben" is neutraler en richt zich meer op het verplaatsen van een afspraak of gebeurtenis naar een ander tijdstip.

Wanneer gebruik je welk woord

Wanneer gebruik je verschieben: Gebruik „verschieben" wanneer je neutraal een afspraak of gebeurtenis naar een ander tijdstip wilt verplaatsen.

Wanneer gebruik je aufschieben: Gebruik „aufschieben" wanneer het uitstel een persoonlijke keuze of uitstelgedrag benadrukt of wanneer je over het uitstellen van taken spreekt.

Voorbeelden naast elkaar

  1. Wir müssen das Meeting auf nächste Woche verschieben.
    (We moeten de vergadering naar volgende week verplaatsen.)
  2. Ich habe das Meeting auf nächste Woche aufgeschoben.
    (Ik heb de vergadering naar volgende week uitgesteld.)
Register en nuance: informeel/alledaags; vaak met een negatieve connotatie van uitstelgedrag

Meer vergelijkingen met verschieben