verschieben vs. aufschieben
Woordvergelijking Duits
Luister naar verschieben
Luister naar aufschieben
| verschieben | aufschieben |
|---|---|
ver-SCHI-ben werkwoord | [ˈaʊ̯fˌʃiːbən] werkwoord |
| iets naar een later tijdstip verplaatsen; uitstellen | iets uitstellen; een taak of afspraak later doen of plannen, vaak met connotatie van uitstelgedrag |
Hoe ze verschillen
„Aufschieben" benadrukt vaak persoonlijk of gedragsmatig uitstellen (procrastinatie) en wordt veel gebruikt voor taken; „verschieben" is neutraler en richt zich meer op het verplaatsen van een afspraak of gebeurtenis naar een ander tijdstip.
Wanneer gebruik je welk woord
Wanneer gebruik je verschieben: Gebruik „verschieben" wanneer je neutraal een afspraak of gebeurtenis naar een ander tijdstip wilt verplaatsen.
Wanneer gebruik je aufschieben: Gebruik „aufschieben" wanneer het uitstel een persoonlijke keuze of uitstelgedrag benadrukt of wanneer je over het uitstellen van taken spreekt.
Voorbeelden naast elkaar
- Wir müssen das Meeting auf nächste Woche verschieben.
(We moeten de vergadering naar volgende week verplaatsen.) - Ich habe das Meeting auf nächste Woche aufgeschoben.
(Ik heb de vergadering naar volgende week uitgesteld.)
Register en nuance: informeel/alledaags; vaak met een negatieve connotatie van uitstelgedrag