Ijslands Woord van de dag
Alle vorige woorden — 189 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-06-17 | þurfa | werkwoord | moeten / nodig hebben; aangeven dat iets noodzakelijk is of dat iemand iets nodig heeft |
| 2026-06-16 | peningur | zelfstandig naamwoord | geld; munir die als betaalmiddel worden gebruikt |
| 2026-06-15 | ganga | verb | lopen; wandelen |
| 2026-06-14 | lesa | werkwoord | lezen; de handeling van geschreven of gedrukte tekst opnemen en begrijpen |
| 2026-06-13 | rita | werkwoord | schrijven; woorden op papier zetten of noteren |
| 2026-06-12 | tala | werkwoord | spreken; praten; ook gebruikt om aan te geven welke taal je spreekt |
| 2026-06-11 | elska | werkwoord | houden van; liefhebben; sterke genegenheid voor iemand of iets |
| 2026-06-10 | setja | werkwoord | plaatsen; zetten; leggen |
| 2026-06-09 | fara | werkwoord | gaan; zich verplaatsen naar een andere plaats |
| 2026-06-08 | afmæli | zelfstandig naamwoord | verjaardag; de dag waarop iemand geboren is of de viering daarvan |
| 2026-06-07 | sjá | werkwoord | zien; waarnemen met de ogen |
| 2026-06-06 | velja | werkwoord | kiezen, selecteren; een keuze maken tussen twee of meer opties |
| 2026-06-05 | sofna | werkwoord | in slaap vallen |
| 2026-06-04 | læra | werkwoord | leren; iets leren of studeren (verwerven van kennis of vaardigheden) |
| 2026-06-03 | spyrja | werkwoord | vragen; een vraag stellen |
| 2026-06-02 | vinna | werkwoord | werken; arbeid verrichten (zowel betaald werk als andere werkzaamheden) |
| 2026-06-01 | geta | werkwoord | kunnen; in staat zijn om (vermogen of mogelijkheid aan te geven) |
| 2026-05-31 | loka | werkwoord | sluiten; iets dichtdoen of beëindigen |
| 2026-05-30 | koma | verb | komen; bewegen naar een plaats of arriveren |
| 2026-05-29 | opna | werkwoord | openen; iets opendoen of in gebruik nemen |