Japans Woord van de dag
Alle vorige woorden — 188 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-05-26 | 忘れる | werkwoord (ru-werkwoord) | vergeten; iets niet (meer) in je geheugen hebben |
| 2026-05-25 | 寒い | bijvoeglijk naamwoord (い形容詞) | koud (van temperatuur of gevoel), meestal gebruikt voor het weer of als iemand koude voelt |
| 2026-05-24 | 忙しい | bijvoeglijk naamwoord (い形容詞) | druk; veel te doen hebben, weinig tijd hebben |
| 2026-05-23 | 聞く | werkwoord | luisteren/horen of (iemand) iets vragen; een veelgebruikt werkwoord met meerdere betekenissen afhankelijk van de context |
| 2026-05-22 | 教える | werkwoord | iemand iets leren of uitleggen; informatie geven |
| 2026-05-21 | 歩く | werkwoord (intransitief) | lopen; wandelen; te voet gaan |
| 2026-05-20 | 飲む | werkwoord | Vloeistof naar binnen brengen; drinken. Ook gebruikt voor het innemen van medicijnen of het consumeren van alcohol. |
| 2026-05-19 | 疲れる | werkwoord (intransitief) | moe worden; vermoeid raken; uitgeput zijn |
| 2026-05-18 | 傘 | zelfstandig naamwoord (noun) | paraplu |
| 2026-05-17 | 食べる | werkwoord (ru-werkwoord) | eten; voedsel consumeren |
| 2026-05-16 | 分かる | werkwoord (godan-werkwoord) | begrijpen; inzien; (ook) weten/duidelijk zijn |
| 2026-05-15 | 待つ | werkwoord (動詞) | wachten (op iemand of iets) |
| 2026-05-14 | 使う | werkwoord | gebruiken; iets inzetten om een doel te bereiken |
| 2026-05-13 | 買う | werkwoord (動詞) | kopen; iets aanschaffen door ervoor te betalen |
| 2026-05-12 | 座る | werkwoord | zitten; (letterlijk) gaan zitten of plaatsnemen |
| 2026-05-11 | 会う | werkwoord | ontmoeten; iemand persoonlijk spreken |
| 2026-05-10 | 乗る | werkwoord (動詞) | instappen/op iets rijden/meedoen; (1) op een vervoermiddel stappen of ermee meegaan, (2) figuurlijk: meegaan met een voorstel of plan |
| 2026-05-09 | 閉める | werkwoord (transitief) | sluiten; iets (bijv. een deur of raam) dichtmaken |
| 2026-05-08 | 頑張る | werkwoord (intransitief) | je best doen; volhouden; hard werken om een doel te bereiken |
| 2026-05-07 | 持つ | werkwoord | iets vasthouden of in bezit hebben; kunnen betekenen 'hebben' of 'dragen' (letterlijk of figuurlijk) |