Japans Woord van de dag
Alle vorige woorden — 188 woorden
| Datum | Woord | Type | Betekenis |
|---|---|---|---|
| 2026-07-05 | 作る | werkwoord (動詞) | maken; iets creëren of bereiden (bijv. eten, spullen, een sfeer) |
| 2026-07-04 | 話す | werkwoord | praten, spreken; iets zeggen tegen iemand |
| 2026-07-03 | 休む | werkwoord (intransitief) | rusten; vrij nemen; afwezig zijn (bijv. van werk of school) |
| 2026-07-02 | 電話 | zelfstandig naamwoord | telefoon; telefoongesprek (zowel het toestel als het gesprek) |
| 2026-07-01 | 便利 | bijvoeglijk naamwoord (na-adjectief) | handig, praktisch; iets dat gemakkelijk of nuttig is om te gebruiken |
| 2026-06-30 | 聞く | werkwoord | luisteren (naar); (iemand) iets vragen; horen |
| 2026-06-29 | 起きる | werkwoord (intransitief) | wakker worden; (op)staan; ook: plaatsvinden (bijv. een gebeurtenis gebeurt) |
| 2026-06-28 | 忘れる(わすれる) | werkwoord (ru-werkwoord / 一段動詞) | vergeten; iets niet meer herinneren of achterlaten |
| 2026-06-27 | 急ぐ | werkwoord (godan) | zich haasten; snel handelen |
| 2026-06-26 | 会う | werkwoord | ontmoeten; iemand (persoonlijk) zien |
| 2026-06-25 | 電車 | zelfstandig naamwoord | trein (meestal een elektrische forensentrein of stads-/regionale trein) |
| 2026-06-24 | 疲れる | werkwoord (intransitief) | moe worden; vermoeid raken (lichamelijk of mentaal) |
| 2026-06-23 | 探す | werkwoord (動詞) | zoeken; iets opzoeken of zoeken (bijvoorbeeld een voorwerp, baan, informatie) |
| 2026-06-22 | 飲む | werkwoord (godan) | drinken; vloeistoffen of medicijnen innemen |
| 2026-06-21 | 分かる | werkwoord (intransitief) | begrijpen; iets snappen of weten wat iets betekent |
| 2026-06-20 | 助ける | werkwoord (transitief) | helpen; redden; iemand uit een moeilijke of gevaarlijke situatie halen |
| 2026-06-19 | 読む | werkwoord | lezen; iets (zoals een boek, e-mail, bord of iemands bedoelingen) met je ogen opnemen of inschatten |
| 2026-06-18 | 食べる | werkwoord | eten (werkwoord) |
| 2026-06-17 | 買う | werkwoord | kopen; iets aanschaffen in ruil voor geld |
| 2026-06-16 | 使う | werkwoord | gebruiken; iets (bijv. een voorwerp, hulpmiddel, taal, tijd, geld) inzetten |